Fasen

van LTGD

Onderstaand een overzicht van de verschillende fasen van LTGD, klik op meer informatie voor verdere uitleg over de betreffende fase.

actieve start fase (0-6 jaar)

Een sterk punt van de turnsport is dat meisjes op deze leeftijd kunnen starten met ‘gymmen’. Hierbij worden de grondvormen van bewegen aangereikt die als basis voor de turnsport dient en eventueel ook voor andere sporten.
>> meer informatie

FUNdamentele fase (6-8 jaar)

Meisjes van deze leeftijd ontdekken de lol van het turnen en het plezier van het op de kop staan, rollen, duikelen, over de kop gaan, zwaaien, draaien, balanceren, etc. Centraal in deze fase staat de ontwikkeling van zuivere grondvormen van bewegen en de voorbereiding van de basis turnvaardigheden in wisselwerking met de motorische basiseigenschappen. Evenwicht als onderdeel van de coördinatie is in deze fase belangrijk.
>> meer informatie

Leren te trainen fase (8 jaar tot de start van de groeispurt)

Meisjes op deze leeftijd leren om te trainen; om gericht te oefenen voor een (nieuwe) turnbeweging en het verder verbeteren van de motorische basiseigenschappen die daarvoor nodig zijn. Ze hebben plezier in het beheersen en de beleving – en dus veel herhalen – van een nieuw geleerde beweging en willen graag trainen voor het volgende niveau van bewegingen. In de leeftijdscategorieën van de KNGU beginnen de 8-jarigen als voor-instappers en de 9-jarigen als instappers met hun eerste wedstrijdjes.
>> meer informatie

Voor de volgende drie fasen hebben we ervoor gekozen de chronologische leeftijd los te laten, dit in tegenstelling tot het oorspronkelijke LTAD. Zie leidraad voor meer informatie hierover.

Trainen voor trainbaarheid fase (vanaf de start van de groeispurt)
Trainen voor wedstrijden fase
Trainen om te winnen

In deze fasen zal de intensiteit van de trainingen opgevoerd worden tot maximaal. In het laatste jaar van het basisonderwijs worden, in de topsport, een of meerdere ochtendtrainingen gevolgd en bij aanvang van het middelbaar onderwijs vindt er drie maal per week een ochtendtraining plaats. Rond de overgang naar het 2e jaar wordt er 11 maal per week getraind.

Het volledige pakket van basis turnvaardigheden wordt verder technisch geperfectioneerd en door fysieke ontwikkeling met meer dynamiek uitgevoerd. In deze fase wordt hierop verder gebouwd zodat er een individueel programma, dat aansluiting waarborgt bij het toekomstige wedstrijdniveau, ontwikkeld.

In deze fasen wordt de basis verder ontwikkeld tot een programma ‘op maat’ voor de individuele turnster. De specifieke kwaliteiten en tekortkomingen bepalen met welk arsenaal aan elementen ze naar een wedstrijd gaat en een wedstrijdprogramma eigen maakt. Ook periodisering wordt steeds belangrijker; het leren een seizoen zo in te richten dat op het moment van de belangrijke wedstrijden ook technisch, fysiek en mentaal gepiekt kan worden.

In het laatste deel van deze fasen wordt het trainingsprogramma verder ‘wedstrijdhard’ gemaakt. Hier wordt het presteren in combinatie met presenteren tot een ‘art’ doorontwikkeld. Dit is een combinatie van pieken en presenteren op de momenten in de wedstrijdcyclus waar het er echt om gaat. Het hebben van wedstrijdervaring en een naam kan hierbij belangrijk zijn.
>> meer informatie